Categorie archief: Recensies

Literaire en theologische recensies door Hugo Louter

Grunberg verkent in ‘Onze oom’ het spanningsgebied tussen moraal en plicht

Arnon Grunbergs roman ‘Onze oom‘ begint met de zin ‘De moordenaar van Lina Siñani Huanca’s ouders kon zelf geen kinderen krijgen, daarom besloot hij Lina Siñani Huanca te adopteren’. Een prachtige voordeur die uitnodigt tot openen – bij een boek dat bij nader inzien mager gemeubileerd is. Lees verder

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies

Op reis in het scriptorium: de schrijver opgesloten in zijn eigen hoofd

Schrijvers wandelen soms zelf hun verhalen binnen of laten personages terugkomen in meerdere romans. Maar een schrijver die in een gesloten kamer gewassen, gevoed, gekleed, seksueel bevredigd, geïrriteerd en achtervolgd wordt door de personages die hij eerder tot leven riep en op pad stuurde? Dat is uitzonderlijk, en misschien wel uniek voor een roman. In ‘Op reis in het scriptorium’, het nieuwste boek van de New-Yorkse schrijver Paul Auster, maakt de lezer kennis met een man die voor het gemak ‘meneer Blanco’ wordt genoemd. Hij is oud, gedesoriënteerd en behept met een vaag maar aanwezig schuldgevoel. Hij bevindt zich in een kamer die voorzien is van camera’s en microfoons die alles vastleggen wat hij doet en laat.

Lees verder

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies

De denkende harlekijn; recensie van ‘Meesterschap’ door Harmen Wind

Clowns zijn er in soorten en maten. Iedereen kent de domme August – plaatselijk bekend als Bassie of Pipo – met zijn slobberpak, zijn rode neus en zijn domme streken. Maar ook is er de pierrot, de witte clown afkomstig uit de Commedia dell’ arte. Hij is melancholisch of zelfs kwaadaardig wanneer hij de domme clown laat struikelen als deze nog niet over zijn eigen veel te grote schoenen gestruikeld was. Overeenkomst tussen beide komieken is dat ze louter buitenkant zijn. Welke camouflage is er immers beter dan een dikke laag schmink?

Dit zal de reden geweest zijn om de omslag van de roman Meesterschap te voorzien van de arlecchino pensoso, de denkende witte clown van Pablo Picasso. Binnenkant en buitenkant, seksuele identiteit en seksuele verwarring zijn niet te missen thema’s van dit boek. De schrijver, Harmen Wind (1945), publiceerde eerder enkele dichtbundels en de roman Het verzet over de verhouding van een zoon tot zijn vader, waarmee hij de Debutantenprijs 2003 won. Het verzet werd ook in Liter 26 positief besproken en gekwalificeerd als ‘bestand tegen herlezing’. Lees verder

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies

Willem Jan Otten verandert minder dan hij denkt


Schrijver, dichter en essayist Willem Jan Otten (1951), die met zijn laatste roman Specht en zoon in 2005 de Libris Literatuurprijs won, heeft na zijn verzamelde gedichten nu ook zijn verzamelde toneelwerk uitgegeven. In januari jongstleden verscheen de bundel Een sneeuw en meer toneel met de vijf toneelstukken die Otten nog de moeite van het publiceren waard vond: Henry II (1978), Een sneeuw (1981), De nacht van de pauw (1996), Oude mensen (1999) en Braambos (2004). Vooral De nacht van de pauw en Braambos werden door de toneelcritici sterk in het licht van Ottens bekering tot het christelijke geloof geplaatst. Maar bestaat er wel zo’n verschil tussen Ottens vroege en latere werk? Een veel te lange blogpost over een prachtige verzamelbundel.

Een sneeuw
Een sneeuw speelt op een winterse avond tussen Kerst en oudejaar 1978. ‘Centrale zwijger’ (aanduiding van Otten) in het stuk is de jarige Panda. Hij is ongeneeslijk ziek en dat beseffen alle personen in het stuk. Desondanks heeft iedereen zich verzameld om Panda’s verjaardag te vieren. Mevrouw Quint, zijn tweede vrouw, heeft een cruisevakantie geboekt, zodat ze er nog één keer tussenuit kunnen. Het gesprek golft op en neer, zoon Frederik maakt zich al druk over de verbouwing van het huis tot dokterswoning.en er worden vergelijkingen getrokken tussen het Indische kampverleden van mevrouw Quint en het Majdanek-kampverleden van Panda.
Door de personages in Een sneeuw wordt de dood enerzijds op veilige afstand gehouden, maar anderzijds is Panda al dood. Levend dood wel te verstaan, niet voor vol aangezien, met een onbegrepen trauma uit zijn kamptijd. Er wordt feitelijk niet meer met hem gerekend, zoals dat zo vaak gaat met mensen die oud, ziek of vergeetachtig zijn.
Terwijl men zich aan de ontbijttafel de volgende ochtend druk maakt over de hardheid van de eieren, komt men erachter dat Panda de eer aan zichzelf gehouden heeft en de sneeuw is ingelopen.

Menselijk onvermogen
Niet minder komt het menselijk onvermogen aan de oppervlakte in De nacht van de pauw. In dit stuk gebruikt Willem Jan Otten het absurde gegeven dat een vader een brief in handen krijgt van zijn zoon die zeven jaar eerder zelfmoord pleegde – en deze niet openmaakt. Zoals Otten zelf zegt: het stuk bevalt van een vader. Carl, de vader, komt door dit kleine bericht van gene zijde weer oog in oog te staan met zijn ouderschap, en met de ravage die hij veroorzaakte toen hij de rebelse Tim van de ongewenstheid van dat ouderschap op de hoogte stelde.
Omdat – naar de laatste onbegrepen knoop
De première van De nacht van de pauw, in 1996, viel midden in een tijd waarin gediscussieerd werd over de autonomie van het individu. Otten kreeg kritiek op zijn pro-life standpunt en het stuk werd ‘De macht van de paus’ genoemd. Hoewel Otten benadrukt dat hij pas drie jaar nadien zou komen tot geloofsbelijdenis, is er in De nacht van de pauw al een sterk besef aanwezig dat de mens niet zijn eigen werk is. ‘Er is een omdat’, zegt hij in de dichtbundel Eindaugustuswind (1998); ‘omdat ik niet begrepen heb wat mij/naar deze onbegrepen plek heeft toegewild’.
Van dit proces deed Willem Jan Otten in 1997 al verslag in zijn Louis Paul Boonlezing in Tilburg. In deze lezing, later uitgegeven als De fuik van Pascal, beschrijft hij hoe hij zich als een paling steeds verder in de fuik van het christelijke geloof had begeven, totdat hij was uitgekomen bij ‘de laatste dikke knoop’ ervan: God, de onontwarbare. Dat bracht hem er uiteindelijk toe om zich aan te sluiten bij de amen-mensen, zoals hij gelovigen ergens noemt in navolging van de Japanse schrijver Shusaku Endo.

Een christelijk toneelstuk
Sinds zijn ‘Jezusschok’ is het werk van Willem Jan Otten gaandeweg meer zijn christelijke levensovertuiging gaan weerspiegelen. Het aan de orde stellen van het thema ‘vergeving’ in zijn laatste toneelstuk Braambos is daarvan een helder voorbeeld. Otten stelt zijn personage Lena voor de keus: óf de dader van een gruwelijke misdaad vergeven, óf ten onder gaan. Maar de vraag geldt ook Bruce, de dader van de gruwelijke daad: wat brengt hem ertoe dat hij nog bij leven vergeven wil worden?
Otten noemt Braambos zijn eerste christelijke toneelstuk en beschouwt het als het begin van een nieuwe periode. Zelf benadrukt hij nogal eens dat er een beslissende kloof ligt tussen de tijd ‘voor de sprong’ en de na-sprongse periode. Dat is niet verwonderlijk als je bedenkt dat voor Otten de wereld na zijn geloofsbelijdenis en doop met pasen 1999 in een geheel ander licht kwam te staan. Maar van een breuk in het oeuvre van Willem Jan Otten is volgens mij geen sprake. Wie naast zijn toneelstukken ook zijn gedichten en romans leest, ziet veel vormen maar ook gedachtegangen gelijk blijven. ‘Ik zoek het hier, in af-/gemeten regels, pegels tekst/ter grootte van een oogopslag’ schreef hij in 1980. En nog in 2002, in zijn zomerdagboek De bedoeling van verbeelding : ‘terwijl ik schrijf, word ik aan het licht gebracht’. In zijn latere werk geldt dat uiteraard ook voor God: verbeelding is bedoeld om Hem te kennen.

Tussenstations
De reis van het vroege naar het late werk is er één met tussenstations. Allemaal zijn die te vinden in Een sneeuw en meer toneel: van de jonge dichter die roept ‘Minder armslag nog dan kwallen/draai ik om mezelf. Geen vallend/tij dat mij op zand laat rusten,/geen storm drijft mij meer naar de kust.’ tot de gelovige dichter die in zijn ‘Palingcredo’ bedenkt ‘de laatste kamer zal de wijdste zijn/wijder dan het hele meer waar hij in hangt’. Dat geeft deze verzamelbundel een grote waarde.

Een sneeuw en meer toneel; verzamelde toneelwerken
Willem Jan Otten
Uitg. Van Oorschot, Amsterdam, 2006. 424 blz., €29

(recensie verschenen op 7 juli in het Nederlands Dagblad)

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies

Rob van Essen: vergeefse vaderzoektocht

Het genre van de dagboeken is een vreemde eend in de literaire bijt. Vaak is een dagboek geen literatuur, en vaak is een literair dagboek geen echt dagboek meer vanwege de vele ingrepen achteraf. Om maar te zwijgen van de problemen waarin een dagboekschrijver komt omdat hij zijn toekomstige lezers niet kan of wil wegdenken.  Desondanks blijven we van tijd tot tijd voorzien worden van literaire dagboeken, soms actueel, soms van decennia of eeuwen terug.

Sinds ik kennismaakte met het Geheim dagboek van Hans Warren lees ik vaak en graag dagboeken. De Journaals van Julien Green, Van de hand in de tand van Paul Auster (hoewel strikt genomen geen dagboek maar een levensverhaal), de dagboeken van K.H. Miskotte die opgenomen zijn in zijn Verzameld Werk. Ook het ‘zomerdagboek’ van Willem Jan Otten uit 2002, getiteld De bedoeling van verbeelding, vind ik de moeite waard. Hoewel ik zijn gedachten, bijvoorbeeld over Czeslaw Milosz, lang niet altijd kan volgen vanwege het particuliere karakter ervan.

Maar waarom kun je zo geboeid zijn door het eb en vloed van iemands dagelijkse notities? Is het dezelfde vorm van nieuwsgierigheid die de tv-kijkers massaal deed kijken naar Geer en Goor? Het dagboek als real life soap avant la lettre? Ongetwijfeld zit er een element van voyeurisme in deze fascinatie. Tegelijkertijd ben ik zo vrij om te denken dat dit een hogere vorm van vermaak is dan Joling en Gordon over de vloer. Want een goede dagboekschrijver verstaat de kunst om  iets alledaags op te schrijven op een manier die het onvergetelijk maakt.

Dagboek over zoon en vader

Voor me ligt Het jaar waarin mijn vader stierf van Rob van Essen (1963), een dagboek dat in deze opzet zeker is geslaagd. Het tijdskader is losjes: alleen de maanden januari tot december zijn vermeld. Dit gaat echter niet ten koste van het gevoel van chronologie. In stukjes variërend van een enkele regel tot anderhalve bladzijde maakt Van Essen de lezer deelgenoot van het jaar dat zijn vaders laatste zou zijn. Daarnaast leren we Rob van Essen kennen als een verlegen persoon, niet buitengewoon succesvol als schrijver, afhankelijk van Prozac, die regelmatig fietstochtjes maakt vanuit Amsterdam naar Ouderkerk a/d Amstel en die de zomer nolens volens doorbrengt in een inderhaast geregelde caravan op een Brabantse ‘kunstcamping’. Als writer in resicence, noteert hij met enige zelfspot. Ook dit medium heeft zich een plaats verworven in het dagboek, als de schrijver verslag doet van een telefoontje van een Liter-redactrice met een verzoek om een stuk te schrijven over de uitvoering van het toneelstuk ‘Waanzee’ naar de roman van Robert Haasnoot.

Toch zijn het de terugkerende berichten over de aftakeling van zijn vader die het boek voorzien van een duidelijk chronologisch verloop. Nadat de vader half oktober overleden is, volgen nog de maanden november en december. Die bungelen er een beetje bij. Dat kan het snuffelen van de schrijver in het archief van zijn vader niet maskeren.

Kwade dagen

Rob van Essen veroorzaakte met zijn eerdere roman Kwade dagen (2002) enige deining in christelijke kring. Wéér een romancier die afstand genomen heeft van zijn bevindelijk-gereformeerde opvoeding, maar niet genoeg om nog eens flink uit te halen? Zo was het niet bedoeld, bezwoer Van Essen in een interview met Tjerk de Reus, dat in 2002 verscheen in het Reformatorisch Dagblad. De christelijke opvoeding was slechts gebruikt als décor voor het boek en rancuneus wilde hij zeker niet zijn.

In hetzelfde interview wordt ook G. van Essen, de vader van Rob van Essen aan het woord gelaten. Deze Van Essen senior publiceerde diverse boeken, waarvan Het hol op de hei  wel het bekendste is. Gevraagd naar een oordeel over het boek van zijn zoon antwoordt hij dat hij zich wel in thema’s herkent, maar dat hij zich vooral stoort aan de seksuele handelingen die in het boek voorkomen.

Een flat character

In Het jaar waarin mijn vader stierf blijkt hoezeer Rob van Essen geraakt was door dit oordeel van zijn vader. Het hele dagboek ademt een oprechte behoefte om erachter te komen wie deze in de gereformeerde wereld gerespecteerde schrijver nu echt was. Daar komt de schrijver niet achter. Althans, hij ziet zijn beeld bevestigd dat zijn vader een flat character was zoals de personages in Het hol op de hei. Er is daarnaast meer onbegrip over de merkwaardige levensgang van deze G. van Essen, die opgroeide in de gereformeerde gemeente in Leiden, maar ook een uitstapje van enkele jaren naar de socialisten maakte om uiteindelijk weer bij de kerk terug te keren. Ook het regelmatige verhuizen van de familie blijft voor zoon Rob een onopgehelderd raadsel.

Ontroerende zorg

Geplaatst naast dit onbegrip en de kloof tussen de werelden van Rob en zijn ouders is zijn grote trouw en de zorg die hij aan zijn vader besteedt ontroerend. Het grafische karakter van de bespiegelingen van de schrijver over de toiletgang van zijn vader doen weliswaar onaangenaam aan, maar zijn tegelijk een poging van de schrijver om in zichzelf te peilen hoe hij werkelijk denkt over de aftakeling van zijn vader.

Met dit dagboek doet Rob van Essen verslag van de laatste fase van zoektocht die iedere zoon naar zijn vader onderneemt. Daarmee verschaft hij zich wèl de karakterdiepte die hij bij zijn vader niet bespeuren kon. Niet voor zijn kinderen, want die had hij niet bij het schrijven van dit dagboek. Wel stelt hij op een zeker moment met spijt vast dat hij veertig jaar is, ongehuwd en kinderloos. Of het blijven hangen in de zoon-rol een indirect verwijt aan zijn vader is, komt de lezer niet te weten.

Verschenen in Liter najaar 2006

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies

Een kardinaal met syfilis

Werklui vonden in 1999 tijdens stutwerkzaamheden aan verschillende huizen op het eiland La Giudecca in Venetië een metalen doos die tussen de fundering zat geklemd en bedekt was met een dikke laag roest. De doos bleek honderden vellen papier in het Latijn, Grieks en Hebreeuws te bevatten die waarschijnlijk hebben toebehoord aan kardinaal Girolamo Aleandro, geboren in 1480 in Motta di Livenza in de Friuli en overleden in Rome op 1 februari 1542. Zijn graf is nog te bezichtigen in de Cathedrale di San Nicoló in Motta di Livenza.

Het leven van deze Girolamo Aleandro vormde voor Yvon Toussaint, oud-hoofdredacteur van het Franstalige Belgische dagblad Le Soir de inspiratie om de historische roman Het manuscript van Giudecca te schrijven. De lezer kijkt mee over de schouder van Girolamo Aleandro wanneer deze in zijn laatste dagen zijn levensverhaal schrijft. Aan bod komen zijn ontmoetingen met Erasmus, zijn belevenissen als diplomaat van de paus, zijn reizen naar Luik en Parijs, naar Worms waar hij met Maarten Luther debatteert, zijn benoeming als bisschop en uiteindelijk als kardinaal.

Het manuscript van La Giudecca biedt een zeer nauwkeurig gedocumenteerd tijdsbeeld van het eind van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw, een periode die voor de geschiedenis van West-Europa van enorm belang is geweest. De syfilis van Girolamo Aleandro, de enorme onderkaak van Keizer Karel V, de onbehouwenheid van Maarten Luther en de homoseksuele neigingen van Erasmus doen daar niets aan af. Integendeel.

n.a.v. Het manuscript van Giudecca
Yvon Toussaint (vertaald door Anneke Alderlieste)
Uitg. Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2005, 316 blz., € 24,95

2 reacties

Opgeslagen onder Recensies

Onrustbarend verhaal over een knettergekke dokter

Een ontslagen celbioloog keert terug in zijn Belgische geboortedorp Wolfsheim, tussen Aken en Vaals. In het dorpscafé gaat deze Victor Hoppe met zijn merkwaardige rode haar en slecht gerepareerde hazenlip met graagte over de tong. Ook over zijn kinderen, de drieling Michaël, Gabriël en Rafaël, wordt er gefluisterd. Monsters zouden het zijn. Drie identieke monstertjes met een gespleten schedel. Maar gaandeweg verdwijnt het aanvankelijke wantrouwen. Victor Hoppe blijkt knettergek te zijn, maar hoe zit het eigenlijk met de dorpsbewoners? Een recensie van De engelenmaker.

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs (1969), die eerder essays, non-fictie en diverse romans schreef, kwam onlangs met de roman De engelenmaker. In dit boek cirkelen twee verhaallijnen om elkaar heen: jeugd en opvoeding van Victor Hoppe en zijn pogingen een mens te klonen. Het verband tussen deze twee lijnen wordt al snel duidelijk: een diepe teleurstelling in zijn vader en de autoriteit van de kerk doen Victor ertoe besluiten dat hij God de loef wil afsteken. Daarin lijkt hij te slagen, want hij kloont eerst muizen en produceert vervolgens uit zijn eigen zaad een identieke drieling, als bewijs getooid met een identieke hazenlip. Al snel blijkt dat de jongens niet lang te leven hebben: door een genetisch defect verouderen zij razendsnel.

Horrorscenario
De ontknoping van De engelenmaker, die zich in één dag voltrekt, is een waar horrorscenario dat de levens eist van bijna alle hoofdpersonen. De drieling ontkomt niet aan het lot waartoe hij genetisch was voorbestemd. Rex Cremer ziet in welke wandaden Victor Hoppe met zijn hulp heeft kunnen aanrichten, overweegt zelfmoord maar komt om het leven bij een verkeersongeluk. Victor Hoppe zelf wordt verwond aan zijn zijde door de vrouw die zijn zoons gebaard had en die tot haar ontzetting vaststelde dat Hoppe zijn zoons eerst verwaarloosde en na hun dood op sterk water zette. De vrouw betaalt haar ontdekking met haar leven. Dan richt Victor Hoppe zich nog één keer op een dramatische manier tot de God die hij niet het nakijken had kunnen geven: hij hangt zichzelf op aan het kruis bij de zusters clarissen van La Chapelle waar hij door zijn vader decennia eerder was gedropt. Daar wordt hij aangetroffen door de dorpelingen, de pastoor voorop, die de jaarlijkse processie lopen.

Een verbijsterend gebrek aan moraal
Stefan Brijs heeft een schokkend verhaal geschreven. Toch ligt de schok niet in de vermeende blasfemie aan het eind van het boek. Door het hele boek heen blijft Victor Hoppe zich tamelijk voorspelbaar gedragen. De lezer ziet zijn ondergang al hoofdstukken lang aankomen. Ook aan het op zichzelf onaangename idee van klonen zijn we langzamerhand wel gewend. Het meest nog ben ik verbijsterd door het vertrouwen dat Victor Hoppe ontvangt van de dorpsgemeenschap die geen nattigheid voelde of wilde voelen. Ook zijn collega Cremer speelt een twijfelachtige rol. De enige die er een moraal op na lijkt te houden is de huishoudster Charlotte Maenhout, die dat met haar leven moet bekopen.

Geloof en wetenschap
De engelenmaker toont aan dat vragen van de wetenschap soms te groot kunnen zijn om door één mens te kunnen worden beantwoord. Wantrouwen is gerechtvaardigd wanneer een medicus zijn patiënt vraagt om vertrouwen ‘omdat hij ervoor heeft doorgeleerd’. Haarscherp is de observatie dat de wetenschap niet waardevrij is en dat ook in de medische wereld persoonlijke sores als schimmels de professionele bezigheden aantasten: wetenschap en levensbeschouwing zijn geen gescheiden werelden.

n.a.v. Stefan Brijs, De engelenmaker, Uitg. Atlas, Amsterdam, 2005, 429 blz., € 19,90

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies

Bestaat zielsverhuizing?

Het zou een geslaagde joodse grap kunnen zijn: komt een man bij de hemelpoort, blijken zijn goede en slechte daden exact in evenwicht te zijn. Van een bureaucraat ter plekke krijgt hij te horen dat hij terug moet naar de aarde: ‘U krijgt toestemming de aardse tocht opnieuw te ondernemen in een lichaam dat al op aarde aanwezig is, een lichaam dat door omstandigheden een vormloze ziel heeft gekregen’.

In de nieuwe roman Per Saldo van Henk van der Ent (1939) speelt de gedachte van zielsverhuizing een serieuze rol. Van der Ent, die eerder dichtbundels (onder de pseudoniemen Anton Ent en Marieke Jonkman), verhalen, beschouwend werk en bloemlezingen publiceerde, laat zijn hoofdpersoon Alberto Pareira een boek lang twijfelen of hij gereïncarneerd wil worden. Na zijn zelfmoord in 1943 stelt deze joodse geschiedenisleraar, voormalig ordebewaker in Westerbork en onderduiker onthutst vast dat hij is blijven steken bij wat kennelijk de ingang van het hiernamaals is. De lezer kijkt mee over de schouder van Alberto Pareira terwijl die zich verdiept in het leven van deze Joost Hazenleger. Eerst aarzelt Pareira sterk maar uiteindelijk besluit hij zich te melden voor reïncarnatie in diens leven.

Dit is in het kort de raamvertelling van Per Saldo, waarbinnen het eigenlijke verhaal van Joost Hazenleger zich afspeelt. Joost, geboren in 1943, groeit op in een familie zoals er in de decennia na de Tweede Wereldoorlog zoveel geweest moeten zijn: de oorlog is overheersend aanwezig maar geen onderwerp van gesprek. Vooral de vader is klaarblijkelijk gebutst door oorlogservaringen: Joost en zijn broer Alex horen hem regelmatig ’s nachts schreeuwend wakker worden. Toch hoort Joost zelfs na de dood van zijn vader niet wat hem in Berlijn overkomen is. Aanvankelijk ergert Joost zich aan de voorkeur van zijn vader voor De nacht der Girondijnen, het boekenweekgeschenk uit 1957 van J. Presser maar in de loop van het verhaal ontwikkelt hij meer begrip voor de diepte van dit verhaal. Rode draad daarbij is het motto van Presser, die met homo homini homo varieert op homo homini lupus, het aforisme dat via Thomas Hobbes bekendheid kreeg.

Een goed deel van het boek is gewijd aan Joost, die zich steeds meer identificeert met Jakob Suasso Henriques, de hoofdpersoon van De nacht der Girondijnen. Deze Suasso Henriques, die zichzelf (evenals Presser) liever on-joods ‘Jacques’ noemt, kent de lezer inmiddels als Alberto Pareira, de man in het wachtlokaal aan de hemelpoort. Joost Hazenleger en de lezer van zijn verhaal weten op dat moment nog niet dat de overeenkomst tussen de twee nog veel groter is dan het zich aanvankelijk laat aanzien.

De circulaire structuur van het boek maakt het schrijven van een lineaire recensie lastig, maar dat is niet het grootste probleem met Per Saldo. Intertekstualiteit kan een boek verankeren in een literaire traditie; Presser doet dat opvallend onopvallend door gebruikmaking van het Sonja-motief uit Dostojewski’s Schuld en Boete. Van der Ent verwijst echter voortdurend naar De nacht der Girondijnen en geeft commentaar op gebeurtenissen en personen daarin. Per Saldois voor een groot deel gevormd rond sleutelscènes uit dit boekenweekgeschenk. Voorafgaande lezing van De nacht der Girondijnen wordt noodzakelijk om Per Saldo te begrijpen, want het verhaal van Joost Hazenleger draagt niet de gehele roman.

Ten slotte heb ik grote moeite met het doodleuk invoeren van reïncarnatie als factor in het verhaal. Niet primair om levensbeschouwelijke redenen, maar om reden van geloofwaardigheid. Als lezer wil ik naar een plaats worden gevoerd waar ik nog nooit geweest ben en niet tegen wil en dank meegesleurd. Zoals Arnon Grunberg schreef in zijn ‘gebed aan de schrijver’ in De troost van de slapstick: ‘Geef mij toch niet de tijd mij af te vragen wie dit allemaal heeft bedacht en waarom […]. Dwing mij niet te geloven dat geschminkte apen mensen zijn. Ook ik ben slechts gematigd enthousiast over de mens, maar ik ben niet zo stom dat ik het verschil niet kan zien tussen een geschminkte aap en een mens.’

Henk van der Ent, Per Saldo, Uitg. Kleine Uil, 2005; 182 blz., € 16,50

(gepubliceerd in Liter 41)

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies

Intelligent Design of Foolish Design?

In de discussie of aan onze werkelijkheid een ontwerp ten grondslag ligt, hadden tot voor kort alleen gelovigen recht van spreken: wetenschappers beperkten zich angstvallig tot het zintuiglijk waarneembare. Totdat Intelligent Design zich presenteerde als alternatief voor het neo-darwinisme. Ook theoloog en bioloog Bram van de Beek laat in deze discussie van zich horen, maar verliest Intelligent Design uit het oog in een poging zijn eigen scheppingstheologie nog eens uit te leggen.

Afgelopen voorjaar verklaarde minister Van der Hoeven van Onderwijs dat ze geïnteresseerd was in de ideeën van Cees Dekker, winnaar van de Spinozaprijs en natuurkundige te Delft. De minister was onder de indruk van de manier waarop hij zijn geloof en zijn wetenschappelijke werk combineert. Samen met de Amsterdamse wiskundige Ronald Meester stelt Dekker al enkele jaren dat de evolutietheorie tekort schiet op cruciale momenten. Een onderliggend ‘intelligent ontwerp’, een Intelligent Design (ID), zou de beste verklaring zou zijn voor het ontstaan van ‘onherleidbaar complexe systemen’: systemen waarin het verwijderen van één onderdeel tot gevolg heeft dat het gehele systeem ermee stopt.

Levendig debat

De minister vond de ideeën van Dekker aanleiding voor verder debat. En debat is er gekomen. Er ontstond een levende, soms verbeten discussie op allerlei vlakken: D66-kamerleden waarschuwden ervoor dat de scheiding tussen kerk en staat in het geding was en sommige behoudende christenen wezen erop dat Dekker nog steeds het door hen verfoeide evolutionistisch verklaringsmodel met een ‘oude aarde’ hanteert. De bundel Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp; over toeval en doelgerichtheid in de evolutie leidde ook tot enkele meer wetenschappelijk georiënteerde, maar vooral negatieve reacties.

De verhouding tussen theologie en natuurwetenschap staat dus op de agenda als nooit te voren. Aan deze verhouding heeft Bram van de Beek het boekje Toeval of schepping? Scheppingstheologie in de context van het moderne denken gewijd. De Amsterdamse hoogleraar symboliek, die ook promoveerde in de biologie, ontwierp al eerder een theologie van de schepping in het boek Schepping: de wereld als voorspel voor de eeuwigheid (1996). In Toeval of schepping? wordt de kern van de gedachten uit Schepping ongewijzigd opnieuw opgediend. Zo kunnen de lezers opnieuw kennisnemen van zijn opvattingen over de schepping, over de verhouding tussen theologie en natuurwetenschappen, over plaats en taak van de wetenschap en over de rol van de Christologie in de schepping. Deze hoofdstukken zijn uitgebreid met een toespitsing op de denkbeelden van de ID-stroming.

Terugkeer van God in filosofie en geschiedenis

Van de Beek begint met een scherpe analyse van de ontkoppeling van geloof en ervaring in de achttiende eeuw en de vergeefse pogingen in de negentiende en twintigste eeuw om de gesloten cirkel van het leven zonder God te doorbreken. Nieuwe perspectieven ziet hij echter in de herintroductie van God in het pan-en-theïsme van John Cobb en de samenhang tussen religieuze opvattingen en natuurwetenschap bij uiteenlopende denkers als Ian Barbour en Alvin Plantinga. Ook de gedachte van een intelligent ontwerp is een bewijs dat de tijd van de nothing-buttery, het niets-dan-materialisme, voorbij is. Dit geldt voor de natuurwetenschap, maar vooral ook voor de geschiedfilosofie die Gods handelen uit onze werkelijkheid verbannen heeft.

Theologie van de schepping

Het zwaartepunt van de ideeën in Toeval of schepping ligt bij de opvatting van Van de Beek dat de term ‘schepping’ niet synoniem is met ‘natuur’: het is een theologische term en niet een kosmologische term. Gelovigen ervaren de wereld voor Gods aangezicht dan ook als gewild. Sterker nog, spreken over de schepping is spreken over onze ervaringswereld in relatie met het geloof in God, die zich door symbolen present stelt in ons leven. Voor Van de Beek is een belangrijk symbool het kruis van Jezus Christus. Een christelijke scheppingstheologie zonder christologie beschouwt hij dan ook als onmogelijk. Jezus is Heer van de wereld, als schepper, als vleesgeworden woord, maar vooral als gekruisigde. Van de Beek houdt niet op te benadrukken dat Gods schepping bestaat in het kruis en in het lijden, in de zonde. Niet de schepping, maar de Schepper was goed van den beginne. Met O. Noordmans zegt hij: scheppen is scheiden en het kruis staat als een zwaard middenin de schepping.

Intelligent Design

Deze opvattingen hebben gevolgen voor het oordeel van de schrijver over ID. Deze wereld is een dwaze wereld. Als wij de kans gehad hadden, zouden wij hem gemaakt hebben zónder kindermoordenaars, kanker en tsunami’s. Hoe gaat dat samen met het idee dat er een intelligente ontwerper achter deze wereld zit? Op microniveau is het misschien nog mogelijk deze ontwerper op het spoor te komen. Maar als we naar de wereld kijken, is het niet waarschijnlijk dat we concluderen dat er een intelligent ontwerper aan de slag is geweest. Eerder nog zal men belanden bij toeval en noodlot. De theologie gaat echter niet uit van het toeval, maar belijdt dat er een willende God aan de basis staat van de werkelijkheid. De verheerlijking van de gekruisigde is Gods intelligentie, of deze ons nu ‘intelligent’ of ‘foolish’ voorkomt. Deze belijdenis is niet uit te drukken in wetenschappelijke theorieën; het is dan ook niet van belang of de schepping is gegroeid via een lang proces of in zeven dagen neergezet.

Een goede bijdrage aan het ID-debat?

Vinden we in Toeval of schepping nu een bijdrage die het debat over de wetenschappelijke aanvaardbaarheid van ID verder helpt? Deze voor de hand liggende vraag moet ontkennend worden beantwoord. Wie verwacht dat Van de Beek zich in het niet eerder gepubliceerde gedeelte van zijn boek zal opstellen als discussiepartner voor de aanhangers van ID, komt ontgoocheld uit.

Het is vooral de theoloog Van de Beek die aan het woord is en de standpunten waarmee hij bekend is geworden opnieuw voor het voetlicht brengt. De eigenlijke discussie over ID speelt een bijrol; zijn opvattingen over de schepping en haar Schepper verduisteren de vraag of en hoe de natuurwetenschap bewijs kan leveren voor de factor ‘ontwerp’. Om van een ontwerper nog maar te zwijgen.

Bram van de Beek, Toeval of schepping? Scheppingstheologie in de context van het moderne denken. Uitg. Kok, Kampen, 2005; 259z., € 18,50

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies

Een klein, flets schilderijtje

Er zijn heel wat parallellen te ontdekken tussen de literatuur en de schilderkunst. Zowel een auteur als een schilder zijn scheppend bezig, beide moeten oog hebben voor compositie, beide worden beoordeeld op de vraag of er sprake is van herkenning of juist vervreemding bij de lezer of kijker. Kortom, een boek of schilderij dat niet onvermijdelijk op je afkomt maar je onverschillig laat, is geen goed kunstwerk.

De schrijfster Rascha Peper verstaat de kunst van dit ‘onvermijdelijke schrijven’. Zo beschreef ze in haar novelle Dooi (1999) op een prachtige manier hoe de in het IJsselmeer vastgevroren schipper van het schip Harnasman (what’s in a name?) ontdooit door de ontmoeting met de mooie roodharige schaatsster Bente. En in de kloeke roman Wie scheep gaat (2003), waarin verschillende mensen als badeendjes schijnbaar stuurloos ronddobberen, staat het omgaan van achterblijvers met de leegte na de vroege dood van een geliefde centraal.

Amsterdamse galeriehouder

Onlangs kwam er opnieuw een novelle van Rascha Peper uit: Verfhuid. In 143 pagina’s lezen wij het verhaal van Arnold Kee, een Amsterdamse homoseksuele galeriehouder van middelbare leeftijd die een voorliefde heeft voor de Duitse romantiek. Eén van zijn vaste klanten, de oudere heer Karl Terwindus, een beetje eigenwijs en lastig maar ook charmant in zijn eigenaardigheid, paart een ascetisch leven aan een enorme kunstverzameling op een bovenwoning. Terwindus bezit diverse zeldzame stukken, maar zijn trots is een kostbaar doek van Caspar David Friedrich.

Al snel echter heeft Kee redenen om te vermoeden dat de manier waarop Terwindus zijn schilderijen verwerft, niet altijd even kosjer is. Koopt hij soms gestolen stukken aan? Tegelijkertijd wordt er in hem een grote begeerte wakker en kan hij nog maar aan één ding denken: handel.

Ondergang

Op een tragische manier gaat Terwindus ten onder aan zijn liefde voor het doek van Friedrich. Dit zorgt ervoor dat de extase van Arnold Kee alleen maar groter wordt; hij stelt alles in het werk om een deel van Terwindus’ collectie op de kop te tikken en gaat daarbij bepaald niet fraai te werk. Daaruit blijkt wel hoe weinig hij geleerd heeft van wat de oude man overkwam. Ook Kee laat zich geheel volgens de beginselen van de romantiek tot tranen toe beroeren door zijn schilderijen, besteedt nauwelijks aandacht aan het overlijden van zijn moeder en merkt de craquelé in zijn relatie met zijn dertigjarige partner Pascal niet op.

Een klein verhaal

Rascha Peper heeft een schets geschreven, volgens de omslag over ‘eigenbelang en compassie’. Beide elementen spelen een rol in het verhaal: compassie ondergeschikt aan eigenbelang. Desondanks is mijn conclusie aan het eind van het verhaal is dat deze hartstochten de lezer niet onvermijdelijk meeslepen. Ligt het aan de omvang van het boek? Ook kleine kunstwerken in boek- of schilderijvorm kunnen fantastisch zijn. Rascha Peper heeft met Dooi bewezen dat ze het maken van dergelijke miniaturen in de vingers heeft, maar Verfhuid mist de scherpte en de helderheid die een kunstwerk onvergetelijk maken.

N.a.v. Verfhuid, Rascha Peper, Uitg. Nieuw Amsterdam, 2005; 164 blz., € 14,95

Geef een reactie

Opgeslagen onder Recensies